Wijziging ontruimingen

Het aantal gedwongen ontruimingen van woningen is de afgelopen jaren aanzienlijk gedaald. Waren het in 2016 nog 8.100 ontruimingen, in 2020 was dat aantal op basis van de voorlopig bekende cijfers gedaald naar ‘slechts’ 2.400. Door de gevolgen van de coronapandemie en de daarmee samenhangende overheidsmaatregelen zal het beeld over 2020 wellicht wat vertekend zijn, maar de tendens van de afgelopen jaren laat in ieder geval al langer een aanzienlijke daling zien. Uiteraard speelden de economische omstandigheden van de jaren voor COVID-19 daarbij een rol, maar zeker ook de preventieve aanpak van verhuurders, gemeenten en deurwaarders rondom het voorkomen van woningontruiming en huisuitzetting als gevolg van huurachterstand.

Naast de financiële en sociale gevolgen van een huisuitzetting, bestaat er ook nog een praktisch onderdeel, te weten de feitelijke ontruiming. Als deurwaarder hebben wij de wettelijke taak om de in de woning aanwezige inboedel uit het gehuurde te (laten) verwijderen. In een groot deel van de ontruimingen levert dit niet veel problemen op. De huurder is in dat geval zelf vertrokken en heeft zijn inboedel meegenomen en woning al dan niet bezemschoon achtergelaten. Daarnaast zijn er uiteraard ook ontruimingen waarbij er nog wel spullen in de woning aanwezig zijn. De taak van de gerechtsdeurwaarder is dan om deze uit de woning te halen en op straat te plaatsen. En daarmee was de ambtshandeling wettelijk gezien voltooid, maar niet het probleem met de feitelijke afvoer van de spullen vanaf de openbare weg. De spullen moeten namelijk na op straat te zijn geplaatst worden afgevoerd en eventueel opgeslagen worden, omdat het plaatsen van goederen op de openbare weg zonder vergunning veelal in strijd is met een verbodsbepaling uit de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). Nu er wettelijk gezien niet goed geregeld was wat er precies met de ontruimde inboedel moest gebeuren - sommige gemeenten droegen zelf zorg voor afvoer en opslag, terwijl andere gemeenten de verhuurder en/of de deurwaarder een last onder dwangsom oplegden voor het plaatsen van zaken op de openbare weg - heeft de wetgever in het kader van de herziening van het beslag- en executierecht één en ander wettelijk aangepast over de afvoer en opslag van de ontruimde inboedel.

Wat is er precies gewijzigd? Vanaf 1 april jl. is het zo dat het college van B&W ten laste van de executant (lees: de verhuurder) zorgdraagt voor het meevoeren en opslaan van de roerende zaken die zich in de tot bewoning bestemde onroerende zaak bevonden, aldus artikel 556 lid 3 Rv.. Naast de duidelijkheid die door de wetgever nu op dit punt voor alle betrokken partijen is gegeven, is bij de totstandkoming van deze wetswijziging ook meegewogen dat de gemeente die de spullen afvoert en opslaat, daardoor ook in verbinding blijft met de (ex-)bewoner. Want indien deze persoon schuldhulpverlening ontvangt, dan komt dat ook het proces van schuldhulpverlening ten goede. De kosten die de gemeente maakt voor afvoer en overslag kunnen door de gemeenten worden doorbelast aan de schuldeiser (lees: verhuurder), die deze op zijn beurt maar moet zien te verhalen op zijn ex-huurder.   

Op het moment van schrijven van deze nieuwsblog is er nog veel onduidelijk bij de gemeenten hoe zij deze wetwijziging in de praktijk moeten implementeren. Zo heeft de gemeente Rotterdam aan de verhuurders gevraagd om voorlopig zelf nog voor afvoer en opslag zorg te dragen, tot het moment dat zij intern uitvoeringsafspraken heeft gemaakt en klaar is voor de praktische uitvoering van de afvoer en opslag.

Mocht u vragen hebben over deze wetswijziging, of hulp nodig hebben bij het incasseren van huurachterstanden, dan helpen wij u daar graag bij.

Meld je aan

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Ongeldige invoer
Ongeldige invoer
Ongeldige invoer